Logo van De Lorijn Accountants en Belastingadviseurs
&
Logo van RPD Fiscaal

Wet inkomstenbelasting 2001
[ v ] Achtergrond van de nieuwe wettelijke regeling
[ v ] Kern van het wetsvoorstel
[ v ] Box I
[ v ] Box II
[ v ] Box III
[ v ] Vergroening


[ index ] Achtergrond van de nieuwe wettelijke regeling
De inkomstenbelasting is zo lek als een mandje”, die kreet hoort men geregeld. Via bijvoorbeeld allerlei beleggingsproducten worden belaste inkomensbestanddelen omgezet in onbelaste vermogensmutaties. Het eroderende effect van deze producten wordt, zij het sinds 1 januari 1999 beperkt, versterkt door de mogelijkheid de financieringslasten die op die producten betrekking hebben ten laste van het inkomen te brengen. Niet alleen in de sfeer van de inkomsten uit vermogen zou een gapend gat zitten. Ook bij winst uit onderneming wordt veelvuldig ge/misbruik gemaakt van de wettelijke regelingen. De ondermaatschap, waarbij een ondernemer tezamen met zijn partner de winst op eenvoudige wijze kan delen, maar ook de scheeps-cv’s, waarbij vermogende beleggers als ondernemer kunnen kwalificeren en zo gebruik kunnen maken van verschillende bijzondere regels, zijn een doorn in het oog. Ook op dat terrein derhalve voldoende reden voor een herziening van de bestaande regelgeving. Gevoegd bij tenminste net zo belangrijke macro-economische doelstellingen als het verlagen van de loonkosten aan de onderkant van het loongebouw, het verlagen van de WIG, het verminderen van de belastingdruk op kapitaal, zijn er derhalve voldoende redenen te bedenken om het bestaande stelsel rigoureus te herzien. Dat is dan ook de essentie van het voorstel zoals dat op 14 september 1999 is gepubliceerd: een volledig herschreven en herziene inkomstenbelasting.

[ index ] Kern van het wetsvoorstel
Ten aanzien van de inkomstenbelasting wordt voorgesteld om het bestaande synthetische stelsel, waarbij alle inkomsten tezamen worden belast naar hetzelfde tarief (uitgezonderd winst uit aanmerkelijk belang) te vervangen door een analytische systematiek. De inkomstenbelasting gaat bestaan uit drie afzonderlijke belastingen, die tezamen als de inkomstenbelasting worden aangemerkt. Binnen die inkomstenbelasting wordt gesproken over inkomensboxen: Box I tot en met III. In navolgend schema zijn de hoofdkenmerken van de drie boxen genoemd.

 

Box I

Box II

Box III

Naam

Inkomen uit werk en woning

Inkomen uit aanmerkelijk belasting

Inkomen uit sparen en beleggen

Inkomen

·          winst uit onderneming

·          loon

·          resultaat uit overige werkzaamheden

·          periodieke uitkeringen en verstrekkingen

·          inkomsten uit eigen woning

·          negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (lijfrenten)

·          reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang (dividend)

·          vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang (verkoopwinst of verlies op aandelen)

·          voordelen op andere vermogensbestanddelen die tot een aanmerkelijk belang behoren (verhuur en verkoopopbrengst panden en rechten die ter beschikking worden gesteld aan de vennootschap)

Overige inkomsten, bijvoorbeeld uit:

·          aandelen

·          spaarrekeningen

·          onroerende zaken die niet tot Box I of Box II behoren

·          obligaties

·          lijfrenten en kapitaalverzekeringen die niet tot Box I of Box II behoren

Heffingsgrondslag

Daadwerkelijk genoten/gerealiseerd inkomen

Daadwerkelijk genoten/gerealiseerd inkomen

4% van de waarde van de bezittingen verminderd met de daarop betrekking hebbende schulden

Tarief

Progressief van 3,35% (exclusief premieheffing volksverzekeringen) tot 52%

30%

30%

Tussen de drie voorgestelde boxen bestaat een aantal fundamentele verschillen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het tarief, maar ook om de manier waarop het inkomen wordt bepaald. Ook de verliesverrekening tussen de verschillende soorten inkomsten verschilt wezenlijk van de bestaande systematiek.

Vanwege de verschillende tarieven en manier waarop het inkomen wordt bepaald (reële of forfaitaire vaststelling van het inkomen), is het elementair te weten aan welke box bepaalde vermogensbestanddelen moeten worden toegerekend. Daarvoor lijken de normale vermogensetiketteringsregels gehandhaafd te blijven, zij het dat voor gevallen waarin misbruik voor de hand liggend is, specifieke regelingen zijn opgenomen. In verband met de vermogensetikettering is onder andere een rangorderegelingen voorgesteld. Die houdt in dat een vermogensbestanddeel dat inkomen genereert dat in box I - inkomen uit werk en woning - of box II - inkomen uit aanmerkelijk belang - moet worden belast, niet (meer) in de grondslag van het forfaitaire rendement moet worden begrepen. Dubbele heffing doordat een vermogensbestanddeel ook in een andere box in aanmerking wordt genomen, kan zo niet ontstaan. Schulden worden toegerekend aan de Box III, tenzij zij betrekking hebben op vermogensbestanddelen die aan Box I of Box II worden toegekend.

Verliezen in een box kunnen alleen worden verrekend met inkomsten uit diezelfde box. Tussen de boxen is derhalve geen verliesverrekening mogelijk. Dat betekent dat bijvoorbeeld een verlies uit aanmerkelijk belang niet kan worden verrekend met positieve inkomsten uit woning en werk en uit sparen en beleggen. Omdat in Box III wordt gewerkt met een forfaitair inkomen, dat wordt afgeleid van de waarde van het vermogen, dat bovendien nooit lager wordt gesteld dan op nihil, komen verliezen in die Box niet aan de orde.

Ten opzichte van de huidige inkomstenbelasting vinden, naast de fundamentele herziening van de belastingheffing over inkomsten uit vermogen, diverse andere wijzigingen plaats. Die betreffen veelal het streven de loonkosten aan de onderkant van het loongebouw te verlagen aangezien dat noodzakelijk is voor onder andere de internationale concurrentiepositie. Ook de individualisering en emancipatie spelen daarbij een rol. Maatregelen die in deze context worden voorgesteld zijn de vervanging van de belastingvrije som door een heffingskorting en de invoering van een arbeidsaftrek.

Partnerbegrip

Het uitgangspunt van de Wet IB 2001 is dat gehuwden en ongehuwd samenwonenden in vergelijkbare situaties zoveel mogelijk gelijk worden behandeld. Om die reden wordt het partnerbegrip aangepast. Als partner wordt aangemerkt de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot en de niet duurzaam gescheiden levende geregistreerde partner. Ook niet-geregistreerd ongehuwd samenwonenden die aan bepaalde voorwaarden voldoen, zijn in de definitie van de partner opgenomen. Men kan als partner in aanmerking worden genomen door daarvoor gezamenlijk te kiezen en die keuze kenbaar te maken aan de belastingdienst. Dat gebruik wordt gemaakt van een keuzemogelijkheid, hangt samen met de diversiteit in samenlevingsvormen en het daaruit voortvloeiende gebrek aan objectieve maatstaven. Als men ervoor kiest om als partner te worden aangemerkt, geldt daardoor het volledige fiscale regime zoals dat ook voor gehuwden en geregistreerde partners geldt. Men kan overigens slechts kiezen voor het partnerschap als men minimaal zes maanden samenleeft en men gezamenlijk is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. Men kan in een jaar maximaal als partner van één andere belastingplichtige worden aangemerkt. De keuze kan jaarlijks worden herzien. Indien men ervoor kiest om als partner te worden aangemerkt, of als men is gehuwd, kunnen de gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten naar keuze bij één van de partners in aanmerking worden genomen. Een eenmaal gemaakte keuze kan in een volgend jaar worden herzien.

[ index ] Box I
In Box I treden relatief weinig wijzigingen op. De belangrijkste wijziging betreft de aanpassing van het ondernemersbegrip. Om als ondernemer te worden aangemerkt, moet men gerechtigd zijn tot de voordelen uit een onderneming, maar bovendien aansprakelijk zijn voor verbintenissen aangaande de onderneming. Door deze laatste nieuwe eis, wordt voorkomen dat commanditaire vennoten en firmanten in een ondermaatschap als ondernemer kunnen worden aangemerkt en derhalve gebruik kunnen maken van de ondernemers- en ondernemingsfaciliteiten. Om ingeval van bedrijfsopvolging, echtscheiding en overlijden een directe afrekening te voorkomen, wordt onder omstandigheden toch de mogelijkheid geboden om winst uit onderneming te genieten. Alsdan is men geen ondernemer en heeft men geen recht op bepaalde faciliteiten, maar blijft het winstregime voor het overige van toepassing. Een vader die zijn onderneming bijvoorbeeld wenst over te dragen aan één van zijn kinderen, kan daardoor een commanditaire vennootschap aangaan met dat kind en behoeft dan niet af te rekenen over de stille en fiscale reserves. Andere wijzigingen die de winstsfeer raken, zijn de afschaffing van de stakingswinstvrijstelling, het vervallen van de bijzondere tarieven en het opnemen van de fiscale oudedagsreserve in de fiscale balans.

Voor de inkomsten uit een dienstbetrekking geldt dat de mogelijkheid om de werkelijke arbeidskosten in aftrek te brengen vervalt. Men kan alleen nog gebruik maken van het arbeidskostenforfait. Het arbeidskostenforfait wordt vastgesteld op 4% van het inkomen met een maximum van ƒ 1263. Het arbeidskostenforfait voor niet-actieven komt op ƒ 308.

Voor de niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden, wordt voorgesteld de inkomsten te gaan bepalen op basis van het winstregime zoals dat ook voor ondernemers geldt. Dat betekent dat de belastingplichtige alsdan een balans en resultatenrekening moet gaan opstellen

Eigen woning

De fiscale behandeling van de eerste eigen woning blijft gelijk aan de thans bestaande regeling. Dit betekent dat zowel het huurwaardeforfait als de aftrek van hypotheekrente gehandhaafd blijven. De kosten die samenhangen met de financiering van de woning (hypotheekrente, afsluitprovisie, kosten hypotheekakte) en de kosten voor periodieke erfpachtcanons blijven eveneens aftrekbaar. De ongewijzigde systematiek geldt alleen voor de eigen woning die als hoofdverblijf dient. De tweede woning wordt belast in Box III. Een bijzondere regeling voor de eigen woning betreft de fiscale behandeling van de kapitaalverzekering. Kapitaalverzekeringen worden in principe overgebracht naar Box III. Voor kapitaalverzekeringen die zijn afgesloten in het kader van de aanschaf van een eigen woning geldt hierop evenwel een uitzondering. Die worden belast in Box I. Voor die polissen blijft een vrijstelling gelden ter grootte van ƒ 267.751. Deze vrijstelling vindt alleen toepassing indien vaststaat dat de uitkering wordt aangewend voor de aflossing van de hypothecaire geldlening die is aangegaan voor de aanschaf van de woning. Ook moeten er 20 jaar premies zijn betaald en mag de hoogste premie niet meer bedragen dan het tienvoud van de laagste premie.

Oudedagsvoorzieningen

Voor oudedagsvoorzieningen geldt momenteel de omkeerregel. De premies zijn aftrekbaar en aanspraken op een pensioen zijn belastingvrij. De latere uitkeringen worden belast. Uiteraard wordt dan ook de in de uitkeringen besloten liggende rentecomponent belast. De omkeerregel als zodanig blijft gehandhaafd. Aanspraken op een pensioenregeling zijn dan ook belastingvrij. Anders dan thans het geval is, kunnen lijfrentepremies evenwel niet meer zonder meer worden afgetrokken van het inkomen. Dat is alleen nog onder strikte voorwaarden mogelijk. De vrijstelling voor kapitaalverzekeringen komt te vervallen, tenzij het gaat om een kapitaalverzekering die is afgesloten in het kader van de financiering van een eigen woning die als hoofdverblijf dient.

Uitgangspunt voor de voorgestelde herziening van het lijfrenteregime is eigenlijk de Witteveen wetgeving voor pensioenen. Daarin is als uitgangspunt genomen dat in 35 jaar een volwaardig pensioen opgebouwd moet kunnen worden. Van een volwaardig pensioen is sprake als het pensioen circa 70% van het eindloon bedraagt. Het voorgestelde lijfrenteregime sluit daarbij aan. In 40 jaar tijd - met inbegrip van AOW en eventuele overige pensioenvoorzieningen – moet een oudedagsvoorziening van 70% van het (eind)inkomen opgebouwd kunnen worden. In het voorgestelde systeem wordt onderscheid gemaakt tussen jaarruimte en inhaalruimte.
De jaarruimte ziet hierbij op de ruimte voor opbouw van oudedagsvoorzieningen met betrekking tot het jaar zelf. De inhaalruimte ziet op de ruimte voor opbouw van oudedagsvoorzieningen met betrekking tot voorgaande jaren. De jaarruimte voorziet in een jaarlijkse aftrek van 15% van het actuele inkomen (behoudens een AOW-franchise van ƒ 30 473). De maximale opbouw bedraagt ƒ 273 198, welk maximum wordt verminderd met hetgeen in dat jaar reeds aan (beroeps)pensioen en FOR is opgebouwd. Deze 15% is een op actuariële grondslagen berekend percentage op basis waarvan circa 70% (eind)inkomen bij een opbouwperiode van 40 jaar kan worden behaald.
De inhaalruimte biedt vervolgens de mogelijkheid om in het verleden opgelopen pensioentekorten op te vullen tot een bedrag van ten hoogste 15% van het actuele inkomen. Daarbij kan men gebruik maken van twee mogelijkheden. De reserveringsregeling biedt iedereen de mogelijkheid de op basis van de jaarruimte vastgestelde ruimte die in de afgelopen vijf jaar niet is benut (inhaal jaarruimte) alsnog te benutten. Belastingplichtigen moeten wel zelf aantonen dat en in welke mate er in de afgelopen vijf jaar sprake is geweest van het onbenut laten van beschikbare ruimte.  De tweede techniek is vergelijkbaar met de huidige derde tranche van de huidige lijfrente-aftrek: een belastingplichtige die bij de aanvang van het kalenderjaar tenminste 39 maar jonger dan 70 jaar is en die aannemelijk maakt dat hij een niet te verwaarlozen pensioentekort over het verleden heeft (voor zichzelf of voor zijn nabestaanden) kan lijfrentepremies in aftrek brengen tot ten hoogste het voor de inhaalruimte geldende maximum (algemene inhaalruimte). In vergelijking met de huidige derde tranche is de leeftijd van 65 verhoogd tot 70, zodat men tot 70 jarige leeftijd de gelegenheid heeft om in het verleden opgelopen pensioentekorten in te halen.

[ index ] Box II, Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Het regime voor winst uit aanmerkelijk belang is per 1 januari 1997 reeds ingrijpend gewijzigd. In dat regime treden weinig wijzigingen op. Dat betekent evenwel niet dat het marginale wijzigingen zijn. De verhoging van het tarief van thans 25% tot 30% is een voorbeeld van een wijziging met belangrijke gevolgen. Voor de aanmerkelijkbelanghouder impliceert een verhoging van het aanmerkelijkbelangtarief namelijk dat de gezamenlijke inkomsten- en vennootschapsbelastingdruk uitkomt op maximaal 54,5% (van het voorgestelde lagere vennootschapsbelastingtarief voor de eerste ƒ 50.000 winst is geabstraheerd). Gegeven het voorgestelde toptarief in de inkomstenbelasting van 52%, wordt ondernemen via de B.V. fiscaal onaantrekkelijk. Een algehele verlaging van het vennootschapsbelastingtarief of een verlaging van het aanmerkelijk belang tarief is noodzakelijk om de thans gecreëerde onevenwichtigheid te voorkomen. Stevens heeft in dit kader bijvoorbeeld voorgesteld om een gedifferentieerd tarief voor belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang te introduceren.

Naast de onevenwichtigheid die voortvloeit uit de voorgestelde herziening van het tarief, treden arbitrageeffecten op door de introductie van de meesleepregeling. Voorgesteld wordt om alle vermogensbestanddelen die rendabel worden gemaakt door ze direct of indirect ter beschikking te stellen aan een vennootschap waarin men een aanmerkelijk belang heeft, ook tot het aanmerkelijk belang te rekenen. Rente-inkomsten op een vordering die een dga heeft op zijn B.V. worden dan belast als winst uit aanmerkelijk belang naar een tarief van 30%. Momenteel worden die rente-inkomsten nog belast naar het progressieve tarief van maximaal 60%. De overheveling naar winst uit aanmerkelijk belang geldt niet alleen voor de rente, maar bijvoorbeeld ook voor huurinkomsten ter zake van een pand dat privé-eigendom is van de dga en dat wordt verhuurd aan de B.V. Daarbij geldt bovendien dat ook de waardestijging van de vermogensbestanddelen als winst uit aanmerkelijk belang wordt belast. Ook bij deze vermogensbestanddelen is een verschil in effectieve belastingdruk merkbaar. De huurpenningen zijn bij de B.V. aftrekbaar en bij de dga belast naar een tarief van 30%. Voor rentelasten geldt dat in principe ook, tenzij het gaat om rente op winstdelende schuldvorderingen.
Voor de aanmerkelijkbelanghouder ontstaan derhalve binnen Box II afwijkende drukverschillen. Op dividend, koerswinst en op de rente op winstdelende schuldvorderingen bedraagt de belastingdruk in totaliteit maximaal 54,5%. Op rente- en huurinkomsten bedraagt de belastingdruk, aangezien die rente- en huurlasten bij de B.V. aftrekbaar zijn, slechts 30%. Door dit drukverschil zou het voordeliger worden om een B.V. te financieren met vreemd vermogen in plaats van met eigen vermogen. Om dit arbitrageproces reeds in de kiem te smoren, staat in de Memorie van Toelichting al aangekondigd dat arbitrageprocessen ten aanzien van de kapitalisatiegraad van een vennootschap scherp in het oog zullen worden gehouden en dat er maatregelen volgen als dat noodzakelijk is.

[ index ] Box III, vermogensrendementheffing
Het meest in het oog springende onderdeel van het wetsvoorstel betreft de heffing over inkomsten uit vermogen. Tot op heden geldt voor de inkomsten uit vermogen het objectieve stelsel. Dat betekent dat alleen de inkomsten uit de bron worden belast. Vermogensmutaties van de bron zelf blijven onbelast. Het feit dat vermogensmutaties geen onderdeel uitmaken van het inkomen wordt, zoals hiervoor al is aangegeven, als een gebrek aangemerkt. Om aan dit gebrek tegemoet te komen, zou men bijvoorbeeld een vermogenswinst- of een vermogensaanwasbelasting kunnen invoeren. Die alternatieve belastingen zijn om diverse meer en minder valide redenen verworpen. Uiteindelijk heeft men besloten tot de invoering van een nergens ter wereld gehanteerd systeem: de vermogensrendementsheffing (Box III). De inkomsten uit vermogen worden in die vermogensrendementsheffing, gesteld op 4% van de gemiddelde waarde van het vermogen per 1 januari en 31 december van enig jaar. Die 4 procent wordt geacht een afspiegeling te zijn van het werkelijke lange termijn rendement op een belegging. Het gaat dan zowel om de koerswinsten als om de rente en het dividend. Het daadwerkelijk gerealiseerde rendement is niet langer relevant. Zowel indien men een lager als wanneer men een hoger rendement haalt in een bepaald jaar, wordt men toch belast voor een forfaitair rendement van 4%. Een tegenbewijsregeling is niet opgenomen. Materieel vormt de voorgestelde heffing in Box III een partiële vermogensbelasting. Immers, het gaat per saldo om een heffing ter grootte van 1,2% van de waarde van het gemiddelde vermogen.

Met name de internationale kapitaalmobiliteit ligt aan de voorgestelde lagere belastingdruk ten grondslag. Randvoorwaarden bij de invulling waren dat het fiscale stelsel neutraal moet zijn ten aanzien van de fiscale behandeling van beleggingsproducten en uiteraard dat het huidige gebrekkige systeem waarin vermogensinkomsten belastingvrij moet worden aangepast.

De thans voorgestelde grondslagverbreding in combinatie met de boxbenadering zou de draagkrachtgedachte beter tot haar recht doen komen. Hierover kan men evenwel verschillend denken. Binnen het huidige stelsel staat vast dat de mogelijkheid bestaat om belaste inkomsten te transformeren in onbelaste vermogensmutaties. Bovendien zullen belastingplichtigen in de hoogste tariefschijven een voorkeur hebben voor beleggingsproducten die relatief weinig belast dividend en relatief veel onbelaste vermogensmutaties bieden. Doordat men in staat is belastingvrije inkomsten te realiseren, wordt de draagkrachtgedachte geweld aangedaan. Dit effect wordt versterkt door kapitaalvlucht naar het buitenland en de mogelijkheid om (financierings)kosten tot maximaal de omvang van de belaste inkomsten in aftrek te brengen. Uiteraard is hier weinig tegen in te brengen. Echter, het is de vraag of het thans voorgestelde stelsel wel in voldoende mate de toets van het draagkrachtbeginsel kan doorstaan. Daartoe dient de volgende tabel. Daarin is de belastingdruk op het vermogen gerelateerd aan de inkomsten uit dat vermogen. Daaruit blijkt dat de omvang van de belastingdruk gerelateerd aan het inkomen alleen progressief is indien men eenzelfde rendement haalt. Bij een gegeven rendement neemt de belastingdruk toe naarmate het vermogen en dus ook het inkomen stijgt. Echter, in het algemeen zullen vermogende particulieren een hoger rendement maken dan arme particulieren. En uit de tabel blijkt tevens dat de belastingdruk gerelateerd aan het inkomen afneemt naarmate het rendement (en dus het inkomen) toeneemt. Met andere woorden, het is zonder meer aannemelijk dat de belastingdruk op beleggingsinkomen voor vermogende particulieren relatief laag is of zelfs lager kan zijn dan de belastingdruk voor relatief arme particulieren. Daar komt nog bij dat de belastingdruk op beleggingsinkomsten bijna per definitie lager is dan de lastendruk op arbeid. Deels kan dat worden verklaard vanwege de noodzaak het kapitaal lager te belasten in verband met de kapitaalmobiliteit, maar daarmee is nog niet gezegd dat de soms voorkomende tariefsverschillen aanvaardbaar zijn vanuit draagkrachtsoogpunt.

Een ander fenomeen dat uit de tabel blijkt, is dat de belastingdruk wijzigt indien het verwachte rendement wijzigt. Het is met name zo dat de belastingdruk afneemt wanneer het verwachte rendement toeneemt. Daaruit blijkt dat van een fiscaal neutrale behandeling van beleggingsproducten geen sprake is. Beleggingsproducten met een hoog rendement worden fiscaal gunstiger behandeld dan beleggingsproducten met een laag rendement. Overigens wordt dit fiscale effect (enigszins) gemitigeerd doordat beleggingsproducten met een hoog verwacht rendement relatief duur zijn: de prijs wordt zodanig aangepast dat uiteindelijk een gemiddeld marktrendement voor het gegeven risicoprofiel ontstaat. Beleggingsproducten met een gelijk risicoprofiel worden evenwel nog steeds fiscaal ongelijk belast.

Tabel 1, belastingdruk voor een gezin bij een gegeven vermogen en rendement

Gemiddeld

Rendement

 

 

 

 

 

Vermogen

 

 

 

 

 

 

 

 

3%

4%

5%

10%

15%

20%

30%

 

 

 

 

 

 

 

 

70000

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

80000

2,54

1,90

1,52

0,76

0,51

0,38

0,25

100000

10,03

7,52

6,02

3,01

2,01

1,50

1,00

110000

12,75

9,57

7,65

3,83

2,55

1,91

1,28

120000

15,02

11,27

9,01

4,51

3,00

2,25

1,50

150000

20,02

15,01

12,01

6,01

4,00

3,00

2,00

200000

25,01

18,76

15,01

7,50

5,00

3,75

2,50

300000

30,01

22,51

18,01

9,00

6,00

4,50

3,00

400000

32,51

24,38

19,50

9,75

6,50

4,88

3,25

500000

34,01

25,50

20,40

10,20

6,80

5,10

3,40

750000

36,00

27,00

21,60

10,80

7,20

5,40

3,60

1000000

37,00

27,75

22,20

11,10

7,40

5,55

3,70

1500000

38,00

28,50

22,80

11,40

7,60

5,70

3,80

2000000

38,50

28,88

23,10

11,55

7,70

5,78

3,85

2500000

38,80

29,10

23,28

11,64

7,76

5,82

3,88

5000000

39,40

29,55

23,64

11,82

7,88

5,91

3,94

10000000

39,70

29,78

23,82

11,91

7,94

5,96

3,97

[ index ] Vergroening

Eén van de kerndoelstellingen van het kabinet is het milieubeleid. Daartoe zijn en worden ook fiscale maatregelen ingevoerd cq voorgesteld. Het gaat onder andere om een verhoging van de energiebelastingen. Andere voornemens zijn een verhoging van het huidige tarief voor het storten van brandbaar afval met ƒ 100 per ton, het verhogen van de belastingheffing op dieselpersonenauto’s (optimale brandstofmix). Er komt een algemene waterbelasting waarbij de eerste ƒ 60 van de waterrekening onder het lage BTW-tarief werd gebracht, bestrijdingsmiddelen en meststoffen zullen onder het algemene BTW-tarief worden gebracht. Het grondwatertarief wordt in sommige gevallen verhoogd en er wordt een oppervlaktedelfstoffenbelasting ingevoerd. Er komt een belasting op afvalstoffen om hergebruik verder te stimuleren. De motorrijtuigenbelasting op LPG-auto's wordt verder verlaagd.


Copyright ©1999 'Home' De lorijn Accountants en RPD Fiscaal De Lorijn Accountants en Belastingadviseurs
Voor informatie stuur uw e-mail naar
info@lorijn.nl of bel 024-3605599

Disclaimer: "Aan het samenstellen van de aangeboden informatie is de uiterste zorg besteed. Desalniettemin kunnen de samenstellers van deze site gezien het generieke karakter van de aangeboden informatie geen aansprakelijkheid aanvaarden voor onvolledigheid of onjuistheid van de informatie of voor enige schade die uit het gebruik van de informatie voortvloeit."

Revisiedatum 4 november 1999.